Ontspanning voor de Mind

meditatie-oefening

Osho: "doe een half uur op een dag niets, behalve als je het druk hebt, doe dan een uur niets...
Hoe vaak heb ik deze woorden van Osho al niet gelezen. Ik heb het vaak als grapje verteld tegen mensen, die er dan om moesten lachen: "ja, we zijn veel te gehaast."

Het is 20:00. Het tijdstip, waarna ik niets meer doe op de computer en ook niets meer op tv bekijk. Omdat het teveel prikkels genereert voor het slapen gaan.
Ik bedenk, wat ik op deze avond nog allemaal zou kunnen doen: de was strijken, zaadjes planten in mijn balkonpotten, een wandeling maken, aan mijn mandala werken, een stukje van mijn huis poetsen. Mijn keel knijpt samen bij elk idee. Mijn lichaam voelt strak, alle spieren al aangespannen voor de volgende taak, die ik zal bedenken.

Ik voel dat, wat ik ook zal verzinnen om te doen, het me niet zal bevredigen. Als zou het nog zoiets leuks zijn als naar de film gaan, naar een cafe'tje, iets drinken bij een vriendin.

Dan her-inner ik me Osho's woorden: "doe een half uur op een dag niets, behalve als je het druk hebt, doe dan een uur niets" op een heel andere manier. Ik vermoed nu, dat het helemaal geen grapje is. Dat er een heel diepe betekenis in moet schuilen. Eigenlijk schreeuwt mijn hele zijn om niets-doen. Maar ik ben er ook bang voor. De adrenaline-stroom, die door me heen raast, voelt eigenlijk best wel fijn en veilig. Het is zo heerlijk daarop mee te drijven. En actief zijn staat nu eenmaal hoog aangeschreven in de cultuur, waarin ik leef.

Maar nu kan ik er voor mezelf niet meer onderuit. Ik sluit de computer af, ruim mijn tafel op, trek mijn jas aan, klap mijn balkonstoeltje uit op het balkon en kijk op de klok. Het is 20:00. De torenklok slaat elk kwartier. Dus het is gemakkelijk om, zonder het zetten van een wekker, in de gaten te houden wanneer het halve uur voorbij zal zijn.

Daar zit ik dan.
Ik bedwing mijn impulsen om de dode plantjes uit de potten te verwijderen. Dan bedenk ik, dat ik rek- en strek oefeningen zou kunnen doen voor mijn benen; dan doe ik tenminste nog iets nuttigs. Ik sta al voordat ik het weet, maar bedenk dan dat dit ook weer een 'doen' is. Dus plof ik weer neer op mijn stoeltje.
Koortsachtig jakkeren de gedachten door mijn hoofd. Alles, wat ik die dag gedaan heb, komt voorbij. Afgewisseld met wat ik nog wil doen. Als ik bedenk, wat ik nog wil doen, sta ik alweer op om het uit te gaan voeren, of even op mijn to-do lijstje te schrijven, maar nee... de torenklok heeft zelfs nog niet 1 keer geslagen, dus er is nog niet eens een kwartier om.

Weer ga ik zitten. Dan voel ik dat mijn gedachten zich langzaam settelen en ze worden langzamer en minder dwingend. Alsof ik langs de oever van een modderige rivier zit te kijken naar hoe de modder langzaam neerdaalt, en daalt, en daalt. De rivier in mijn hoofd wordt steeds helderder.

En tegelijk met het langzamer worden van mijn gedachtenstroom, komt mijn gevoel omhoog. Verdriet. Mijn niet gevoelde verdriet van het missen van mijn Indiase vriend. Het zit daar, aan weerszijden onderin mijn longen. Als twee meertjes, met hele kleine bubbeltjes erin. En hoe langer ik zit, hoe meer het omhoog komt golven. En even later glijden langzaam de eerste tranen uit mijn ogen. Ik bedek mijn gezicht met mijn sjawl, zodat de onderburen mij niet zullen zien huilen. Wat is dit mooi, om dit gevoel zo puur te voelen. Ik begrijp nu, dat ik zo druk bezig wilde zijn, om mijn gevoel eronder te houden. Maar nu besef ik, dat dat gevoel helemaal niet erg is. Het is zelfs fijn om het te voelen. Ik word er echter door, zachter, milder, meer mezelf.

De wind ruist door de nieuwe lenteblaadjes van de berkenboom. Een merel zit op een tak van de boom voor mijn balkon en het voelt alsof die mij steunt. Langzaam valt de schemering. Bij enkele huizen gaan de lampen aan en ik zie silhouetten bewegen voor de raampjes van een flat in de verte.

De klok slaat 1 keer. Een kwartier is voorbij.

Nu heb ik zin om te blijven zitten. Het voelt als toen ik een kind was en gewoon zat te kijken. Ik nam toen alles in mij op, gewoon zoals het was. Toen kon ik dat nog goed, zonder er moeite voor te doen: gewoon alleen maar kijken. Het was voordat ik te horen kreeg: "ga toch eens iets doen".

Er rent een klein donkerbruin muisje voorbij. Heel snel. Zo schattig. Ik wist niet, dat die op mijn balkon woonde. Hij klimt in een boompje, dat zomaar in mijn balkonpot is gaan groeien, en bengelt daar voor een paar seconden. Dan rent hij naar de andere kant van het balkon, waar nog een muisje van achter een pot verschijnt.
Ik bedenk dat ik niet wil dat ze binnenkomen in mijn appartement, maar besluit daarop te vertrouwen.

Dan daalt er een dikke zwarte raaf neer op mijn balkon muurtje. Verwoed begint hij te pikken aan een van de zes mezenballen, die ik heb opgehangen aan de stang van mijn balkon. Ik houd me zo stil mogelijk. Maar zijn kraaloogjes ontwaren plotseling dat ik er zit en dan vliegt hij weg.

De eerste ster verschijnt voor mijn ogen. Zo helder en flonkerend. De takken van de bomen zijn nu bijna zwart geworden en steken rustig af tegen de al donkerblauwe lucht.

De klok slaat negen keer. Op elk half uur slaat hij het hele aantal slagen van het uur. Het halve uur is voorbij. Dankbaar, zacht en mild ga ik naar binnen...